Verzamelgeschiedenis van de bisjpalen
'Bisjpalen, een woud van magische beelden' toont 58 uitzonderlijke objecten uit het zuidwestelijke kustgebied van Nieuw-Guinea. Ze zijn bijna allemaal verzameld vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. Toen werd het onherbergzame moeras- en bosgebied van de Asmat langzaam maar zeker opengelegd door verkenningspatrouilles en het stichten van gouvernements- en missieposten. De Nederlandse pioniers troffen een cultuur aan met een rijke artistieke productie die haar weerga in het door Nederland bestuurde deel van het eiland niet had. Maar men realiseerde zich dat deze adembenemende ‘primitieve kunst’ in dienst stond van een religie en wereldbeeld waarin koppensnellen en endemische wraakacties een centrale plaats innamen. Erger nog: de Asmat bedreven een ritueel kannibalisme. Bij de Kamoro (bewoners van de westelijker gelegen Mimika-kust) die al langer bekend waren bij de Nederlanders, stonden de Asmat bekend als wémana-wé, dat we vrij kunnen vertalen als ‘menseneters’. Deze term vinden we enigszins verbasterd terug in de oudste museumdocumentaties: voorwerpen uit het ‘Manoewé-gebied’. ‘Asmat’ (of eerst nog ‘Asmatters’) was als aanduidende term voor dit volk nog niet op de kaart gezet en in de boeken opgenomen.
Koppensnellen, wraakexpedities en kannibalisme. Door pacificatie en kerstening van de Asmat zouden deze praktijken weldra worden uitgebannen. Vooral de Nederlandse volkenkundige musea vreesden dat de bijbehorende rituelen en houtsnijkunst daardoor als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen. Het was dus belangrijk dat de musea op tijd zouden redden wat er te redden viel.
Carel Groenevelt (1899-1973) is hierbij van cruciaal belang geweest. Groenevelt was een beroepsverzamelaar die door het Tropenmuseum en het Wereldmuseum (toen nog: Museum voor Land- en Volkenkunde Rotterdam) in de hand werd genomen om in Nieuw-Guinea te verzamelen voor de Nederlandse collecties. Groenevelt had al eerder talloze objecten in Nederlands-Indië verzameld voor particulieren die afgingen op zijn smaak en zijn ‘goede neus voor kwaliteit’.
Van 1951 tot 1962 is hij in de weer geweest voor zijn nieuwe opdrachtgevers, die van hem verwachtten dat hij in het snel veranderende Nieuw-Guinea nog mooie, oude stukken zou kunnen bemachtigen. Van J. Victor Jansen, de toenmalige directeur in Rotterdam, kreeg Groenevelt zelfs de aanmaning ‘om het terrein zo systematisch mogelijk af te grazen’. Hoewel Groenevelts zoekacties naar authentieke artefacten in Nederlands Nieuw-Guinea zich zeer zeker niet beperkten tot de Asmat – hij verzamelde zelfs zeer succesvol in het oostelijke, Australische deel van het eiland – zijn het vooral de verzamelingen uit dit nieuwe gebied waardoor de Nederlandse museumcollecties uit Nieuw-Guinea een mondiale allure hebben verworven. Groenevelt heeft duizenden objecten verzameld, waaronder bisj-palen die nu geëxposeerd zijn.
Door onder meer de ernstige financiële tekorten bij het Tropenmuseum moest in 1958 het samenwerkingsverband met Groenevelt worden beëindigd. Het Wereldmuseum heeft daardoor het grootste aantal bisj-palen van Groenvelt in zijn collectie. Ook verzamelde het Wereldmuseum tijdens twee expedities naar het Asmat-gebied in 1984 en 1985 nog enkele bisj-palen. Deze wijken duidelijk af in vorm en kleur en zijn moderner’ dan de palen die door Groenevelt dertig jaar eerder bijeen waren gebracht.
Bisjpalen werden ook meegebracht door wetenschappelijke onderzoekers, gouvernementsbeambten en andere passanten in het gebied. Bijvoorbeeld door de medewerkers van een Nederlands bouwbedrijf dat in opdracht van het bestuur moderniseringen aanbracht in de plaatselijke infrastructuur. Twee palen, nu het bezit van het Rijksmuseum voor Volkenkunde (cat. 55 en 56), zijn afkomstig van de Amerikaan Michael Rockefeller wiens geruchtmakende en nooit opgeloste verdwijning in de Asmat-regio in 1961 - verdronken, vermoord, aangevallen door een krokodil? –geruime tijd wereldnieuws was.
De geëxposeerde palen zijn de historische getuigenissen van de nog springlevende Asmat-cultuur uit Papoea. Het bisj-ritueel ter ere van de doden bestaat daar nog steeds, hoewel koppensnellerij en bloedige wraakacties allang tot het verleden behoren. Tevens biedt de expositie een blik achter de schermen van een museaal verzamelbeleid dat er doelbewust op gericht was zoveel mogelijk exemplaren van deze imposante sculpturen in Nederland te krijgen. Nergens anders dan in Nederland kon deze tentoonstelling van een gezamenlijk nationaal museumbezit, bestaand uit het magistrale cultureel erfgoed van een specifieke Papoea-cultuur, worden neergezet. De kans is dan ook vrijwel nihil dat een overeenkomstige expositie ooit ergens anders nog te zien zal zijn.
David van Duuren
Conservator Oceanië Tropenmuseum
Lees meer over de verzamelaar Carel Groenevelt.
