Geschiedenis Tropenmuseum

Geschiedenis Tropenmuseum

Het Tropenmuseum is een museum over mensen, gevestigd in een van de mooiste originele museumgebouwen van Nederland. 

De objecten vertellen stuk voor stuk een menselijk verhaal en maken nieuwsgierig naar de enorme culturele diversiteit die de wereld rijk is. Ze vertellen over universele menselijke thema’s zoals rouwen, vieren, versieren, bidden of vechten. Van Afrika tot West- en Zuidoost-Azië, van Nieuw-Guinea tot Latijns-Amerika en van een verhalenreis tot een muziekreis – In het Tropenmuseum ontdek je dat we op de verschillen na, allemaal hetzelfde zijn: mens.

Zolderkamer

De geschiedenis van het Tropenmuseum begon in 1864. Toen besloot de Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid dat er een verzameling aangelegd moest worden voor een toekomstig museum over de Nederlandse overzeese gebiedsdelen. De opdracht daarvoor kreeg Frederik van Eeden. Op de zolderkamer van zijn huis in Haarlem ontstond een collectie waarvan een deel nu nog in het museumdepot is.

Koloniaal museum

Van Eeden liet in brede kring weten wat hij zocht. Veel mensen in Nederland hadden thuis verzamelingen van voorwerpen uit Nederlands-Indië en schonken ze aan Van Eeden. Al snel werd het tijd voor een gebouw voor al die voorwerpen. Dit werd de benedenverdieping van Paviljoen Welgelegen in Haarlem. In 1871 opende het museum haar deuren voor bezoekers. Tot 1923 was het eerste Koloniaal Museum ter wereld te bezoeken in Haarlem.

Een nieuw gebouw

In 1910 werd de Vereeniging Koloniaal Instituut opgericht. Deze hield zich bezig met het zoeken naar een locatie en later met het begeleiden van de bouw van het nieuwe Koloniaal Instituut en Koloniaal Museum in Amsterdam. De locatie werd de Oosterbegraafplaats op de hoek van de Mauritskade en de Linnaeusstraat. Er waren veel belemmeringen voordat de bouw echt kon beginnen: de begraafplaats moest ontruimd worden, de Eerste Wereldoorlog brak uit en tijdens de bouw verwoestte een storm een groot deel van de steigers. In 1923 was het gebouw zover dat de collecties over konden van Haarlem naar Amsterdam.

Geschiedenis Tropenmuseum - de bouw

Opening

Het Koloniaal Instituut werd op 9 oktober 1926 officieel geopend door Koningin Wilhelmina. Zij maakte haar intrede via de Koninklijke Ingang aan de achterkant van de Grote Zaal, maar de koningin merkte op dat de publieksingang aan de Mauritskade veel mooier was. Zij wilde net als alle andere bezoekers ook genieten van de entree en de marmeren hal daarachter. Het nieuwe Koloniaal Instituut bestond nu uit een groot gebouw met de ingang aan de Mauritskade en het Koloniaal Museum aan de Linnaeusstraat.

Opening Tropenmuseum koningin Wilhelmina

Oorlog

In de oorlog waren de tentoonstellingen nog te zien, maar werken in het instituut werd steeds moeilijk. Een deel van het gebouw werd het onderkomen van de Grüne Polizei. De ingang aan de Mauritskade werd streng bewaakt. Vreemd genoeg werd het gebouw aan de kant van het museum niet bewaakt, zodat mensen via het museum het gebouw in konden. In allerlei hoeken en op de vele zolders werden mensen en spullen verborgen. In 1944 werd het museum gesloten.

Tropenmuseum

De doelstelling en de naam van het museum veranderden in 1950. Vanaf 1945 had het museum even Indisch Museum geheten, nu werd die naam Tropenmuseum. Omdat de collectie voornamelijk bestond uit voorwerpen uit de (voormalige) koloniën moest er veel nieuw gekocht worden of geruild met andere musea. Het gebrek aan voorwerpen maakte het museum inventief: er kwamen tentoonstellingen met, relatief goedkoop verkregen, gebruiksvoorwerpen, geluidsopnames en nagebouwde ‘tafereeltjes’; allemaal vernieuwende tentoonstellingsvormen.

Verbouwing jaren '70

In de rest van de jaren ’70 werd het museum uitgebreid verbouwd. Eerst werd er een stuk aangebouwd waarin ruimtes voor het kindermuseum Tropenmuseum Junior, een theaterzaal en een extra tentoonstellingszaal kwamen. In 1975 opende Tropenmuseum Junior en waren er allerlei activiteiten in de theaterzaal. De rest van het museum ging vier jaar dicht. De trap aan de voorkant werd gesloopt. De ingang kwam een verdieping lager. De betegelde vloeren werden voorzien van parket. Het glanzende parket bleek na levering echter een iets te rijke uitstraling te hebben voor tentoonstellingen over de Derde Wereld. Het parket werd omgedraaid, met de grof geschuurde en ongelakte kant naar boven. De vloer in de lichthal werd verhoogd tot het niveau van de galerijen. Zo kon de hal gebruikt worden voor tentoonstellingen, maar ook voor grote internationale congressen.